Citaat | Raad van State 12 april 2017
Alinea 181 Raad van State 12 april 2017
Een alinea uit Raad van State 12 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1034.
4.4.2 Hoe - afgezien van bepalingen omtrent het opmaken en ondertekenen van een proces-verbaal - de vastlegging van verklaringen in het strafproces moet geschieden, is tot op zekere hoogte (en dan met name voor het verhoor van de verdachte) in het Wetboek van Strafvordering geregeld. Van oudsher schreef artikel 29, derde lid, (oud) Sv voor, dat de verklaringen van de verdachte, bepaaldelijk die welke een bekentenis van schuld inhouden, zoveel mogelijk in zijn eigen woorden moeten worden opgenomen. Sinds 1 maart 2017 is, vooral naar aanleiding van het arrest Salduz (zie noot 74) en de daarmee verband houdende EU-richtlijn, (zie noot 75) een aantal nieuwe bepalingen in het Wetboek van Strafvordering opgenomen die op het verhoor zien. (zie noot 76) De bepaling van artikel 29, derde lid, (oud) Sv is in een nieuw artikel 29a, tweede lid, eerste volzin, Sv ondergebracht. Daaraan is toegevoegd dat de verklaring van de verdachte zo volledig mogelijk en voor zo veel mogelijk in vraag- en antwoordvorm wordt opgenomen. Het eerste lid van artikel 29a Sv bevat ook een vormvoorschrift:
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bcfb6dc7cc4c6e06e421fa56a6e01248ce70ad7231e8a7995e7cbf9bc62dd245. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bcfb6dc7cc4c6e06e421fa56a6e01248ce70ad7231e8a7995e7cbf9bc62dd245, en de alinea staat in dat document op bytes 83406 tot 84507.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/bcfb6dc7cc4c6e06e421fa56a6e01248ce70ad7231e8a7995e7cbf9bc62dd245 | shasum -a 256