Citaat | Raad van State 12 april 2017

Alinea 209 Raad van State 12 april 2017

Een alinea uit Raad van State 12 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1034.

4.6.1 In het strafproces kunnen partijen (dus niet alleen de verdediging, maar ook het openbaar ministerie) in beginsel op elk moment nieuwe informatie toevoegen, zij het dat, zodra het onderzoek op de terechtzitting is aangevangen, beginselen van een behoorlijke procesorde kunnen meebrengen dat nieuwe stukken en dergelijke niet meer kunnen worden overgelegd. (zie noot 81) Een algemene regel daaromtrent valt volgens de Hoge Raad niet te geven. Van geval tot geval zal dus moeten worden beoordeeld of aan die eisen is voldaan, waarbij mede betekenis toekomt aan de (belastende dan wel ontlastende) aard van de over te leggen bescheiden of stukken en, indien het gaat om belastende bescheiden of stukken, aan de (al dan niet complexe) aard van de te berechten zaak en het stadium waarin de procedure zich bevindt. Hetzelfde geldt mutatis mutandis in hoger beroep. Artikel 414, eerste lid, Sv luidt:

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bcfb6dc7cc4c6e06e421fa56a6e01248ce70ad7231e8a7995e7cbf9bc62dd245. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bcfb6dc7cc4c6e06e421fa56a6e01248ce70ad7231e8a7995e7cbf9bc62dd245, en de alinea staat in dat document op bytes 99041 tot 99954.