Citaat | Raad van State 12 april 2017

Alinea 236 Raad van State 12 april 2017

Een alinea uit Raad van State 12 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1034.

Naast een in de literatuur wel gesignaleerde algemene tendens om partijen meer gelegenheid voor bewijslevering in het proces te bieden, (zie noot 93) acht ik in het bijzonder van belang dat in boetezaken de zogenaamde bewijsfuik niet meer wordt toegepast en dat de beboete partij in de beroepsprocedure derhalve nieuw bewijs mag bijbrengen, óók als zij dat in de voorprocedure heeft nagelaten. (zie noot 94) Aldus kan het bestuursorgaan eerst in beroep (en mogelijk ook in hoger beroep, afhankelijk van de vraag of de grondenfuik nog onverkort in boetezaken wordt toegepast (zie noot 95)) worden geconfronteerd met (bewijs van) niet voor de hand liggende alternatieve scenario’s waarmee het bestuursorgaan tijdens de bestuurlijke besluitvorming niet bekend kon zijn en die het bestuursorgaan, ondanks een zorgvuldig uitgevoerd onderzoek, daarom niet in dat onderzoek heeft kunnen betrekken. Zeker in dergelijke situaties (van "surprise evidence") mag een nadere bewijsvoering door het bestuursorgaan mijns inziens niet a priori worden uitgesloten.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bcfb6dc7cc4c6e06e421fa56a6e01248ce70ad7231e8a7995e7cbf9bc62dd245. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bcfb6dc7cc4c6e06e421fa56a6e01248ce70ad7231e8a7995e7cbf9bc62dd245, en de alinea staat in dat document op bytes 115980 tot 117044.