Citaat | Raad van State 12 april 2017

Alinea 238 Raad van State 12 april 2017

Een alinea uit Raad van State 12 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1034.

4.7.4 Het voor een dergelijke uitsluiting in de literatuur wel genoemde argument dat het bestuursorgaan in de heroverwegingsfase al ruimschoots de gelegenheid heeft gehad een gebrek in de vaststelling en/of het bewijs van de feiten te verhelpen, (zie noot 96) gaat in het geval van "surprise evidence" niet op. De beboete partij heeft dan immers nagelaten de vaststelling en/of het bewijs van de feiten reeds in de voorprocedure adequaat ter discussie te stellen, zodat het bestuursorgaan daarop niet heeft kunnen reageren. Als (nadere) bewijsvoering door het bestuursorgaan na de voltooiing van de bestuurlijke besluitvorming categorisch wordt uitgesloten terwijl de beboete partij in (hoger) beroep nieuwe bewijsmiddelen kan inbrengen, zou dat ertoe kunnen leiden dat de beboete partij haar bewijstroeven eerst in (hoger) beroep zal uitspelen. Men denke hier aan de vroeger in het strafproces wel gevolgde praktijk om onvolkomenheden in de dagvaarding eerst na het requisitoir aan de orde te stellen, opdat het openbaar ministerie die onvolkomenheden niet meer door een wijziging van de tenlastelegging zou kunnen herstellen. (zie noot 97)

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bcfb6dc7cc4c6e06e421fa56a6e01248ce70ad7231e8a7995e7cbf9bc62dd245. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bcfb6dc7cc4c6e06e421fa56a6e01248ce70ad7231e8a7995e7cbf9bc62dd245, en de alinea staat in dat document op bytes 117121 tot 118275.