Citaat | Raad van State 12 april 2017
Alinea 418 Raad van State 12 april 2017
Een alinea uit Raad van State 12 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1034.
(52) Zie Kamerstukken II 2003/03, 29 702, nr. 3, p. 97: “Uit de jurisprudentie van het EHRM blijkt wel dat onder omstandigheden verklaringen die voorafgaand aan de criminal charge op grond van een plicht tot informatieverstrekking zijn afgelegd, niet mogen worden gebruikt voor het bewijs van een overtreding waarop een bestraffende sanctie staat. Men zie naast het reeds genoemde Saunders-arrest ook(EHRM 3 mei 2001, EHRC 2001, nr. 45; BNB 2002, nr. 26; AB 2002, 343 (J.B./(Zwitserland); vgl. ook HR 27 juni 2001, AB 2002/342.” Zie ook de noot van E.E.V. Lenos bij EHRM 3 mei 2001, ECLI:NL:XX:2001:AL1323, NJCM 2002, p. 606-615, onder 3: “Uit het Saunders-arrest blijkt dat verklaringen die voorafgaand aan de charge onder dwang zijn verstrekt met een beroep op het nemo tenetur-recht na de charge buiten de criminal charge-procedure kunnen worden gehouden.” Ook de belastingkamer van de Hoge Raad heeft een dergelijke consequentie aan het Saunders-arrest verbonden; zie HR 27 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2314, AB 2002/342 m.nt. O.J.D.M.L. Jansen en M.J.J.P. Luchtman onder AB 2002/343, rov. 3.4: “(…) Gelet op het arrest Saunders brengt het een en ander in een geval als het onderhavige, waarin een belastingplichtige aan het EVRM niet het recht kan ontlenen zich te onttrekken aan de verplichting gegevens, inlichtingen en bescheiden te verstrekken, mee dat een verklaring die de betrokkene heeft afgelegd ter voldoening aan die verplichting, niet mag worden gebruikt ten behoeve van de boete-oplegging. (…)”. Volgens Jansen en Luchtman in hun genoemde noot gaat de Hoge Raad hiermee verder dan uit het arrest Saunders voortvloeit: “De medewerkingsplichten van de AWR blijven ten behoeve van de heffing onverkort gelden (vgl. ook HR 8 juli 1998, BNB 1998/326, m.nt. P.J. Wattel). Mocht aldus verkregen informatie echter tevens van belang blijken voor een parallel lopend of later volgend punitief sanctietraject, dan neemt het nemo tenetur-beginsel de vorm aan van een bewijsuitsluitingsgrond. Materiaal dat zijn bestaan dankt aan de wil van de betrokkene mag in die gevallen niet voor die doeleinden als bewijs worden gebruikt. Evenmin is dan een omkering van de bewijslast toegestaan. Op dit punt is de Hoge Raad strenger dan het EHRM dat - zo leiden wij althans uit het Saunders-arrest (…) af - niet onder alle omstandigheden zal komen tot bewijsuitsluiting van materiaal dat zijn bestaan dankt aan de wil van de betrokkene en primair werd verkregen voor niet-punitieve doeleinden.” De civiele kamer van de Hoge Raad heeft zich bij de benadering van de belastingkamer aangesloten door te oordelen dat in een civielrechtelijk kort geding de belastingplichtige onder last van een dwangsom kan worden veroordeeld al het materiaal te verschaffen dat van belang kan zijn voor een juiste belastingheffing, ongeacht of het gaat om wilsonafhankelijk of wilsafhankelijk materiaal, zulks echter onder de restrictie dat materiaal van deze laatste soort uitsluitend mag worden gebruikt ten behoeve van de belastingheffing; zie HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3640, NJ 2013/435 m.nt. J.W. Zwemmer, rov. 3.9.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bcfb6dc7cc4c6e06e421fa56a6e01248ce70ad7231e8a7995e7cbf9bc62dd245. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bcfb6dc7cc4c6e06e421fa56a6e01248ce70ad7231e8a7995e7cbf9bc62dd245, en de alinea staat in dat document op bytes 210299 tot 213438.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/bcfb6dc7cc4c6e06e421fa56a6e01248ce70ad7231e8a7995e7cbf9bc62dd245 | shasum -a 256