Citaat | Raad van State 12 april 2017
Alinea 62 Raad van State 12 april 2017
Een alinea uit Raad van State 12 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1034.
Het is de vraag of heden ten dage aan het beginsel van "ongelijkheidscompensatie" nog hetzelfde gewicht moet worden toegekend als de wetgever van de Awb voor ogen stond. In de praktijk heeft de beroepsprocedure zich immers ontwikkeld tot een partijengeding tussen het bestuur en de rechtzoekende als min of meer gelijkwaardige partijen; daarbij speelt mede een rol dat ook de rechtzoekende in de praktijk veelal met professionele rechtsbijstand procedeert. (zie noot 9) Een rechtzoekende kan uiteraard een burger (natuurlijk persoon) zijn, maar is zeker in het punitieve bestuursrecht ook vaak een - al dan niet grote - rechtspersoon. Zeker bij die laatste categorie speelt het beginsel van "ongelijkheidscompensatie" een minder grote rol. Feit is dat de bestuursrechter minder ambtshalve activiteiten verricht dan vroeger, waarbij overigens mede een rol speelt dat de omvang van het geschil meer dan voorheen door partijen wordt bepaald. (zie noot 10)
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bcfb6dc7cc4c6e06e421fa56a6e01248ce70ad7231e8a7995e7cbf9bc62dd245. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bcfb6dc7cc4c6e06e421fa56a6e01248ce70ad7231e8a7995e7cbf9bc62dd245, en de alinea staat in dat document op bytes 25709 tot 26674.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/bcfb6dc7cc4c6e06e421fa56a6e01248ce70ad7231e8a7995e7cbf9bc62dd245 | shasum -a 256