Citaat | Raad van State 1 september 2017

Alinea 32 Raad van State 1 september 2017

Een alinea uit Raad van State 1 september 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2377.

3.4. In een zaak als de onderhavige waarin het Europees Verdrag betreffende uitlevering toepasselijk is, toetst de Nederlandse uitleveringsrechter volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad, als het gaat om wat de opgeëiste persoon feitelijk is tenlastegelegd, of hij door hetgeen tegen het uitleveringsverzoek is aangevoerd onverwijld tot de overtuiging is gekomen dat geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld (vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 15 december 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1298 en artikel 28, tweede lid, van de Uitleveringswet).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fcc7a2b2dd01f95b012cc3a69b1d75b3a333a2cb91e982845eeb176e02e007b6. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fcc7a2b2dd01f95b012cc3a69b1d75b3a333a2cb91e982845eeb176e02e007b6, en de alinea staat in dat document op bytes 11147 tot 11722.