Citaat | Raad van State 4 oktober 2017

Alinea 28 Raad van State 4 oktober 2017

Een alinea uit Raad van State 4 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2641.

Voorts betoogt [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat de hoogte van de boete in het licht van artikel 6 van het EVRM niet in redelijke verhouding staat tot de ernst en het verwijt van de overtreding en het met het besluit te dienen doel en in strijd is met het in artikel 5:46 van de Awb neergelegde evenredigheidsbeginsel. Hij wijst er daarbij op dat hij een onervaren verhuurder was en dat hij de woning aan de [locatie] heeft verhuurd om aan zijn financiële verplichtingen te kunnen voldoen. Hij had voor deze verhuur een vergunning verkregen, is een schriftelijke huurovereenkomst met [persoon] aangegaan en heeft een kopie van zijn identiteitskaart gemaakt. De verhuur heeft hem tot nu toe veel ellende bezorgd, te meer nu [persoon] bij het verlaten van de woning een ravage heeft achtergelaten. [appellant] stelt zich op het standpunt dat het college ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om met toepassing van artikel 4:84 van de Awb van zijn beleidsregels af te wijken. Ook zijn er volgens hem voldoende bijzondere omstandigheden aangevoerd, die aanleiding hadden moeten geven om de boete met toepassing van artikel 5:46, derde lid, van de Awb te matigen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/76526abcc4ab7ccf86fdc340ea911a019d69cd14750cd77f64cf7fe7ea7590ab. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 76526abcc4ab7ccf86fdc340ea911a019d69cd14750cd77f64cf7fe7ea7590ab, en de alinea staat in dat document op bytes 11064 tot 12279.