Citaat | Raad van State 1 november 2017

Alinea 34 Raad van State 1 november 2017

Een alinea uit Raad van State 1 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2964.

6. Voorts betoogt [appellante] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat een dreiging van gevaar bestond of een ernstig vermoeden daartoe. Zij is op 11 juli 2016 aangehouden en diezelfde dag nog, voor 3 dagen in verzekering gesteld. Vervolgens heeft de rechter-commissaris de bewaring voor 14 dagen bevolen. Daarna, op 28 juli 2016, heeft de raadkamer van de rechtbank Rotterdam haar gevangenhouding bevolen voor de duur van 90 dagen. Onder die omstandigheden bestond geen dreigend gevaar of een vermoeden daartoe. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, was duidelijk hoe lang [appellante] in voorlopige hechtenis zou blijven en volgt uit de stukken niet dat contact met haar gezin onwenselijk zou zijn. De rechtbank heeft ook miskend dat met de oplegging van het huisverbod, terwijl een bevel voor voorlopige hechtenis van kracht was, een ongerechtvaardigde inmenging in het familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), heeft plaatsgevonden, aldus [appellante].

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/015204c2a52cefe3dc4103f52ddee1dfc1995cb4b8d9b49b9821557c2d5c22bd. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 015204c2a52cefe3dc4103f52ddee1dfc1995cb4b8d9b49b9821557c2d5c22bd, en de alinea staat in dat document op bytes 10154 tot 11248.