Citaat | Raad van State 22 december 2017
Alinea 102 Raad van State 22 december 2017
Een alinea uit Raad van State 22 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3557.
In de tweede plaats - en belangrijker - is het volgens mij niet helemaal correct om de toepasselijkheid van het relativiteitsvereiste in EU-rechtelijke zaken uitsluitend te beoordelen vanuit de vraag of een particulier rechten kan ontlenen aan het Unierecht (een kwestie van effectieve rechtsbescherming, zie hiervoor) en die niet ook te beoordelen in het licht van de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid. Het startpunt bij de vraag naar de toepasselijkheid van nationaal procesrecht in zaken waarin de effectuering van Unierecht aan de orde is, is het beginsel van procedurele autonomie, dat wordt begrensd door de beginselen van gelijkwaardigheid, doeltreffendheid en effectieve rechtsbescherming. Bij vragen van procesbevoegdheid, zoals de toepassing van het relativiteitsvereiste, gaat de toetsing aan doeltreffendheid in de rechtspraak van het Hof min of meer op in die aan effectieve rechtsbescherming. (zie noot 19) Voor het beginsel van gelijkwaardigheid ligt dat anders, omdat de vraag of de toepassing van een nationale procesrechtelijke beperking Unierechtelijk toelaatbaar is, pas speelt als eerst - in het kader van de gelijkwaardigheidstoetsing - is vastgesteld dat en in hoeverre die beperking wordt toegepast in louter nationale zaken. Voor zover het nationale recht de ‘toegang’ van burgers en de door hen aangevoerde gronden niet beperkt, zal op grond van gelijkwaardigheid dat ‘onbeperkte’ nationale recht ook moeten worden toegepast in zaken waarin de belanghebbenden op grond van uitsluitend het Unierecht geen rechten kunnen ontlenen aan dat Unierecht. Zo moest de Nederlandse bestuursrechter vóór de introductie van het vereiste van relativiteit in 2010 in de Crisis- en herstelwet en in 2013 in de Awb, conform het toen geldende nationale procesrecht, de door belanghebbenden aangevoerde EU-gronden wel degelijk beoordelen en leidde schending ervan tot vernietiging, ook al kenden de Unieregels waarop beroep was gedaan hen EU-rechtelijk geen rechten toe. Bovendien - en dat is nog steeds van belang - past de bestuursrechter bij de toepassing van het relativiteitsvereiste diverse correcties toe, de parallelle belangen- en verwevenheidscorrectie en de correctie Widdershoven, (zie noot 20) die op grond van gelijkwaardigheid evenzeer moeten worden toegepast in nationale zaken waarin de effectuering van het Unierecht aan de orde is, ook als de betrokken belanghebbende geen rechten kan ontlenen aan de ingeroepen Unieregeling. (zie noot 21) In die zin blijven het nationale recht en het gelijkwaardigheidsbeginsel conceptueel altijd het startpunt van de beoordeling.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a7daba5ec86eba0456b39ab0294da699d3e6d259e2c2cd845730e0c735d52788. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a7daba5ec86eba0456b39ab0294da699d3e6d259e2c2cd845730e0c735d52788, en de alinea staat in dat document op bytes 58052 tot 60685.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/a7daba5ec86eba0456b39ab0294da699d3e6d259e2c2cd845730e0c735d52788 | shasum -a 256