Citaat | Raad van State 15 maart 2017

Alinea 93 Raad van State 15 maart 2017

Een alinea uit Raad van State 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:694.

13.6.1. Uit de geschiedenis van totstandkoming van artikel 2, vijfde lid, onder b, van het Besluit milieueffectrapportage blijkt dat het bevoegd gezag op grond van artikel 7.2, eerste lid, onder b, van de Wet milieubeheer zich ervan moeten vergewissen of een activiteit die beneden de voor de m.e.r.-beoordeling gedefinieerde drempel valt daadwerkelijk geen aanzienlijke milieugevolgen kan hebben. De raad dient zijn standpunt hieromtrent deugdelijk te motiveren. In paragraaf 4.11 van de plantoelichting wordt onder verwijzing naar hoofdstuk 4 van de plantoelichting geconcludeerd dat de voorgenomen activiteit niet kan worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject dat aanzienlijke milieugevolgen kan hebben. De Afdeling begrijpt deze motivering van de raad in de plantoelichting aldus dat de wijziging van het materiële gebruik van het perceel niet zodanig is dat daardoor belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. De raad heeft daarbij ter zitting toegelicht dat op grond van de beschikbare onderzoeken naar de ruimtelijke gevolgen van het plan kan worden geconcludeerd dat het project niet leidt tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Praxis heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd die de Afdeling aanleiding geven voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op dit standpunt heeft gesteld. Daarvoor acht de Afdeling de enkele stelling van Praxis dat de selectiecriteria van bijlage III bij de EEG-richtlijn betreffende de milieueffectbeoordeling niet bij deze beoordeling zijn betrokken, wat daar ook van zij, onvoldoende. Voor zover Praxis ter onderbouwing van deze stelling in haar nadere stuk van 14 september 2016 nog heeft aangevoerd dat bij de beoordeling geen rekening is gehouden met cumulatie van de gevolgen van de initiatieven op het bedrijventerrein IJsseloord II, overweegt de Afdeling het volgende. Voor zover dit betoog, met inachtneming van artikel 8:69a van de Awb (vergelijk de uitspraak van 26 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2722) en hetgeen hieromtrent reeds in 10.5 en 10.6 is overwogen, zou kunnen leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit, is naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat het betrekken van die initiatieven tot een andere uitkomst van de vormvrije m.e.r.-beoordeling zou leiden. Het betoog faalt.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/555eb913d0105ffc6d5fbd30cd733dbb588499b5a38225fd2ceb7172aab45f0f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 555eb913d0105ffc6d5fbd30cd733dbb588499b5a38225fd2ceb7172aab45f0f, en de alinea staat in dat document op bytes 36881 tot 39220.