Citaat | Raad van State 29 maart 2017

Alinea 158 Raad van State 29 maart 2017

Een alinea uit Raad van State 29 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:869.

6.4. Dat betekent volgens de voorzieningenrechter dat het nationale recht en de artikelen 3 en 13 van het EVRM niet uitsluiten dat een vreemdeling uit Nederland wordt verwijderd voordat in hoger beroep op zijn verzoek om internationale bescherming is beslist. De voorzieningenrechter ziet, mede in het licht van de hiervoor beschreven rechtspraak van het EHRM, aanleiding te onderzoeken of het Unierecht ertoe dwingt die verwijdering en de daarmee gepaard gaande risico's voor een vreemdeling wel uit te sluiten en dus verplicht tot automatisch schorsende werking in hoger beroep in asielzaken. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat de hiervoor vermelde rechtspraak van het EHRM is beperkt tot artikel 3 van het EVRM, en derhalve niet ziet op alle procedures over verzoeken om internationale bescherming, omdat daarvan ook procedures over erkenning als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag deel uitmaken, en niet is gezegd dat de vereisten voor beide procedures gelijk zijn (zie in dit opzicht het arrest van het Hof van 22 november 2012, M. tegen Ierland, ECLI:EU:C:2012:744, en het arrest van 1 maart 2016, Alo en Osso, ECLI:EU:C:2016:127). Bij het onderzoek zal de voorzieningenrechter Richtlijnen 2013/32/EU en 2008/115/EG, en artikel 47 van het Handvest betrekken.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bed6d93ecb686b9a1c3ebf7355e121bf3abac0e705ede5b2b795528e589b0255. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bed6d93ecb686b9a1c3ebf7355e121bf3abac0e705ede5b2b795528e589b0255, en de alinea staat in dat document op bytes 38868 tot 40176.