Citaat | Raad van State 4 april 2018

Onder 4.3.5. Raad van State 4 april 2018

Een alinea uit Raad van State 4 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1152.

Aan de dwangsom per tijdseenheid en die per overtreding moet een maximum gesteld worden (art. 5:32b(2) Awb) dat in redelijke verhouding staat tot het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsom (evenredigheidsbeginsel: art. 5:32b(3) Awb). De persoonlijke omstandigheden, waaronder de financiële positie van de overtreder, doen in beginsel niet ter zake bij de bepaling van de hoogte van de dwangsom, nu de overtreder het in zijn macht heeft om verbeuring te voorkomen. (zie noot 25) Dat is in beginsel niet anders als beëindiging van de overtreding de financiële mogelijkheden van de overtreder te buiten gaat, (zie noot 26) maar in dat geval rijst de vraag of die last wel kon worden opgelegd (hij moet beëindiging immers in zijn macht hebben) en ligt het voor de hand dat de overtreder zulks naar voren brengt bij de voorafgaande hoorzitting (art. 4:8 Awb) c.q. achteraf in bezwaar (art. 7:2 Awb) en zo nodig opheffing of wijziging van de last vraagt (art. 5:34 Awb). Het financiële voordeel van een overtreder bij niet-nakomen van de last is uiteraard wél relevant: de dwangsom moet voldoende financiële prikkel inhouden om met de (lucratieve) overtreding op te houden. (zie noot 27)

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2bfcfd2da913aaf85103c9962c880e551ea3cbd632a44a8cb0cf5d06fbdae422. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2bfcfd2da913aaf85103c9962c880e551ea3cbd632a44a8cb0cf5d06fbdae422, en de alinea staat in dat document op bytes 71775 tot 73098.