Citaat | Raad van State 4 april 2018

Onder 4.9.1. Raad van State 4 april 2018

Een alinea uit Raad van State 4 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1152.

Als het bestuursorgaan ex art. 5:25(6) Awb de hoogte van de verschuldigde kosten van bestuursdwang vaststelt, stelt hij daarmee een verplichting tot betaling van een geldschuld vast, want volgens art. 5:25(1) Awb komen die kosten ten laste van de overtreder. Uit art. 4:86(1) Awb volgt dan dat die vaststelling een besluit is in de zin van art. 1:3 Awb, zodat ook op deze beschikking de Awb-voorschriften voor besluiten gelden. Art. 4:8 Awb is dus van toepassing, zodat de overtreder vooraf gehoord zou moeten worden. Ik heb er geen rechtspraak over kunnen vinden, maar ik ga ervan uit dat als u de dwangsom-invorderingsbeschikking al aanmerkt als financiële beschikking (zie 4.8.2. hierboven), u te meer de kostenverhaalbeschikking zult zien als beschikking strekkende tot vaststelling van een financiële verplichting. (zie noot 75) Uit art. 4:12 Awb volgt dan dat vooraf horen niet verplicht is. In casu is [appellant] ook niet vooraf gehoord.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2bfcfd2da913aaf85103c9962c880e551ea3cbd632a44a8cb0cf5d06fbdae422. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2bfcfd2da913aaf85103c9962c880e551ea3cbd632a44a8cb0cf5d06fbdae422, en de alinea staat in dat document op bytes 107230 tot 108225.