Citaat | Raad van State 4 april 2018

Onder 5.3.3. Raad van State 4 april 2018

Een alinea uit Raad van State 4 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1152.

U bent bij uw standpunt gebleven. (zie noot 130) Dat lijkt mij naar intern recht terecht, nu de invorderingsbeschikking 'de verbeurte' vaststelt en daarmee een financiële verhouding tussen bestuur en overtreder regelt. Weliswaar vloeit de verbeurte (de opeisbaarheid) uit de wet voort, dat maakt betaling van de dwangsom nog niet afdwingbaar. De wet (art. 5:37 Awb) eist voor aanmaning een voorafgaande invorderingsbeschikking. Ik neem aan dat dit impliceert dat een dwangbevel, dat immers pas ná de aanmaning komt, evenmin kan worden uitgevaardigd zonder voorafgaande invorderingsbeschikking. Zoals boven (4.8.1.) bleek: de invorderingsbeschikking lijkt op de naheffingsaanslag die vereist is om een aangiftebelasting waarvan de betalingsverplichting rechtstreeks uit de wet voortvloeit, invorderbaar te maken: de ontvanger van rijksbelastingen kan geen dwangbevel uitvaardigen zonder voorafgaande naheffingsaanslag (en aanmaning). De invorderingsbeschikking stelt vast dat en tot welk bedrag dwangsommen zijn verbeurd en dat en tot welk bedrag die zullen worden ingevorderd. Daarover kan zonder invorderingsbeschikking onzekerheid en geschil bestaan en dat was precies de reden voor haar invoering: voorkomen dat die onzekerheid en dat geschil bij de executierechter terecht zouden komen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2bfcfd2da913aaf85103c9962c880e551ea3cbd632a44a8cb0cf5d06fbdae422. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2bfcfd2da913aaf85103c9962c880e551ea3cbd632a44a8cb0cf5d06fbdae422, en de alinea staat in dat document op bytes 143938 tot 145278.