Citaat | Raad van State 4 april 2018
Onder 7.2.22. Raad van State 4 april 2018
Een alinea uit Raad van State 4 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1152.
Manifeste onrechtmatigheid/misbruik van bevoegdheid 7.2.23. In 2017 oordeelde u nogmaals dat van invordering van een verbeurde dwangsom had moeten worden afgezien. (zie noot 217) De zaak betrof een last onder dwangsom om het gebruik van een recreatiewoning te beëindigen. Bij gebrek aan gebruik van rechtsmiddelen moest van de rechtmatigheid van die last worden uitgegaan. Op dezelfde dag deed u echter uitspraak in vijf identieke zaken waarin de eigenaren wél in bezwaar en beroep waren gekomen en waarin u vaststelde dat de hen opgelegde identieke lasten onrechtmatig waren. Onder die omstandigheden vond u dat in redelijkheid niet van de bevoegdheid tot invordering gebruik gemaakt kon worden. Sanders ziet hierin een opzij zetten van de formele rechtskracht van de last en daarmee is hij het niet eens. (zie noot 218) Ik lees in de uitspraak echter dat u juist uitgaat van de formele rechtskracht van de opgelegde last en slechts de rechtmatigheid van de invorderingsbeschikking beoordeelt. Ik lees er in dat u die beschikking onrechtmatig acht wegens misbruik van bevoegdheid. Maar ook als men er een terzijdestelling van formele rechtskracht in moet lezen, kan de uitspraak slechts toegejuicht worden. Een andere uitkomst lijkt mij aan de burger niet uit te leggen. Het ontgaat mij hoe minimale redelijkheid het handhavingsgezag van de overheid zou kunnen aantasten. Ik hoop dat het desbetreffende bestuursorgaan na kennisneming van uw uitspraak in de vijf andere zaken ook zonder uw ingrijpen zou hebben afgezien van invordering. Ik sluit ook geenszins uit dat als het tot een executiegeschil zou zijn gekomen zonder dat de bestuursrechter zich over de invordering had kunnen uitlaten, de executierechter tot misbruik van bevoegdheid zou hebben geconcludeerd (art. 3:13 BW), gegeven een ontbrekend rechtmatig belang bij invordering. Dat een geschil eens ten einde moet komen kan mijns inziens geen rechtvaardiging zijn voor het evident ten onrechte opeisen van een groot geldbedrag indien de materiële niet-overtreder, zoals in Nederland, maar zes weken de kans heeft om te beseffen dat hij een geschil had moeten beginnen hoewel hij gelijk heeft.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2bfcfd2da913aaf85103c9962c880e551ea3cbd632a44a8cb0cf5d06fbdae422. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2bfcfd2da913aaf85103c9962c880e551ea3cbd632a44a8cb0cf5d06fbdae422, en de alinea staat in dat document op bytes 234962 tot 237277.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/2bfcfd2da913aaf85103c9962c880e551ea3cbd632a44a8cb0cf5d06fbdae422 | shasum -a 256