Citaat | Raad van State 11 april 2018

Alinea 71 Raad van State 11 april 2018

Een alinea uit Raad van State 11 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1210.

8.4. Daargelaten de kwalificatie van de brieven van 30 juni 2016, 9 november 2016 en 22 december 2016, stelt het college zich terecht op het standpunt dat de aan [appellant] gerichte brief van 23 februari 2016 is aan te merken als een aanmaning als bedoeld in artikel 4:112 van de Awb. Daartoe wordt onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Afdeling (onder meer de uitspraken van 22 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2301 en 26 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1142), overwogen dat deze brief onmiskenbaar een herinnering is om te betalen, waarin [appellant] in gebreke wordt gesteld en hem een korte termijn wordt geboden om alsnog te betalen. Ook wordt [appellant] in deze brief verzocht om indien hij het niet eens is met de vordering dit binnen vijf dagen schriftelijk te laten weten, dan wel, indien hij meent niet ineens te kunnen betalen, daartoe verifieerbare gegevens te verstrekken. Het college vergewist zich daarmee van de redenen waarom [appellant] weigert te betalen. De brief waarschuwt verder voor rechtsmaatregelen, die zullen volgen als [appellant] niet tijdig betaalt, dan wel niet anderszins reageert.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/eb35e3f41d2426e795ebd18423b721e22c5b75465e83da79c7ff00bba5fbfc1e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt eb35e3f41d2426e795ebd18423b721e22c5b75465e83da79c7ff00bba5fbfc1e, en de alinea staat in dat document op bytes 26494 tot 27634.