Citaat | Raad van State 7 februari 2018

Alinea 45 Raad van State 7 februari 2018

Een alinea uit Raad van State 7 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:403.

4.1. Voor zover [appellant sub 1] zich op het standpunt stelt dat de minister in dit geval alleen tot handhaving mocht overgaan voor zover de Handhavingsrichtlijn daarin voorziet, kan zij hierin niet worden gevolgd, nu de Handhavingsrichtlijn niet in werking was getreden toen bij het GLIEA gegevens werden opgevraagd. Overigens vloeit uit de Handhavingsrichtlijn niet voort dat Nederland, als lidstaat van ontvangst, alleen gegevens mocht vragen aan Bulgarije als lidstaat van vestiging. Artikel 6, tiende lid, van de Handhavingsrichtlijn bepaalt immers uitdrukkelijk dat een verzoek om informatie de bevoegde instanties niet belemmert om onderzoek in te stellen naar inbreuken op het bepaalde in de Detacheringsrichtlijn. Voorts valt ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Handhavingsrichtlijn de inspectie van de arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden onder verantwoordelijkheid van de lidstaat van ontvangst, hetgeen in dit geval Nederland is. Voorts mag in het kader van het toezicht op de naleving ingevolge artikel 9 van de Handhavingsrichtlijn aan een onderneming de verplichting worden opgelegd om informatie te verstrekken over de aangegane arbeidsovereenkomsten, loonstrookjes en arbeidstijdenoverzichten. Tevens dienen op grond van artikel 10 van de Handhavingsrichtlijn doeltreffende controles en inspecties te worden uitgevoerd. Er bestaat derhalve geen grond voor het oordeel dat de ten opzichte van [appellant sub 1] uitgevoerde inspectie niet in overeenstemming is met het Unierecht. De minister heeft zich bovendien in het besluit van 17 maart 2015 op het standpunt gesteld dat uit de van het GLIEA ontvangen bescheiden, waaronder bescheiden over het salaris dat [appellant sub 1] aan ieder van haar 45 werknemers heeft overgemaakt, niet blijkt dat [appellant sub 1] haar werknemers het minimumloon heeft betaald. De minister heeft bij dat standpunt betrokken dat uit die bescheiden niet blijkt over hoeveel gewerkte uren salaris is uitbetaald, zodat niet kan worden berekend hoeveel [appellant sub 1] ieder van haar werknemers per uur heeft betaald. Ter zitting van de Afdeling heeft [appellant sub 1] desgevraagd te kennen gegeven dat geen urenstaten zijn overgelegd. Dat de minister ter zitting van de Afdeling te kennen heeft gegeven dat hij [appellant sub 1] niet wegens overtreding van artikel 18b, tweede lid, van de Wmm een boete zou hebben opgelegd, indien het GLIEA alle opgevraagde bescheiden zou hebben overgelegd, laat niettemin onverlet dat de inspectie in dit geval niet de bescheiden als bedoeld in artikel 18b, tweede lid, aanhef en onder b, heeft ontvangen en dat [appellant sub 1] daarvoor als werkgever beboetbaar is. De rechtbank heeft terecht overwogen dat [appellant sub 1] artikel 18b, tweede lid, heeft overtreden.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c7522e82651159b1c9fb0a77a0e0d0fbc25c987744b76845074c8a42bf213bbb. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c7522e82651159b1c9fb0a77a0e0d0fbc25c987744b76845074c8a42bf213bbb, en de alinea staat in dat document op bytes 15433 tot 18209.