Citaat | Raad van State 16 januari 2019
Alinea 42 Raad van State 16 januari 2019
Een alinea uit Raad van State 16 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:113.
6.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 26 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:681, is voor het antwoord op de vraag of een stuk als incidenteel hoger beroepschrift in de zin van artikel 8:110, eerste lid, van de Awb kan worden aangemerkt, niet beslissend dat uitdrukkelijk gesteld is dat incidenteel hoger beroep wordt ingesteld. Volgens de geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling (Kamerstukken II 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 23 en 24) is met het bieden van de mogelijkheid van het instellen van incidenteel hoger beroep beoogd een partij de bevoegdheid te geven om naar aanleiding van het principaal hoger beroep van een wederpartij alsnog ook zelf in hoger beroep te komen. Aldus wordt de processuele positie van de verwerende partij in hoger beroep versterkt, in die zin dat deze een tegenaanvalswapen in handen krijgt, en is het instellen van principaal hoger beroep niet meer zonder risico, nu de appellerende partij er door de tegenaanval van de wederpartij ook op achteruit kan gaan. Met het instellen van incidenteel hoger beroep beoogt de incidenteel appellant te bewerkstelligen dat hij in een rechtens gunstiger positie komt te verkeren ten opzichte van de positie waarin hij na de uitspraak van de rechtbank verkeerde.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e6273cbb3d84a2875678c05599bff27126b96991d2be03adfcb4fa8413cbb02d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e6273cbb3d84a2875678c05599bff27126b96991d2be03adfcb4fa8413cbb02d, en de alinea staat in dat document op bytes 23456 tot 24741.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/e6273cbb3d84a2875678c05599bff27126b96991d2be03adfcb4fa8413cbb02d | shasum -a 256