Citaat | Raad van State 26 juni 2019

Alinea 34 Raad van State 26 juni 2019

Een alinea uit Raad van State 26 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2005.

4. Appellanten betogen dat het college de aanwezigheid van mesthoudend water ten onrechte als een overtreding van artikel 13 van de Wet bodembescherming heeft aangemerkt. In dit verband voeren zij aan dat er geen mesthoudend water is gestort of opgeslagen, maar dat het mesthoudende water aan de achterzijde van de stal een gevolg is van overtollig regenwater. Appellanten stellen dat zij geen handeling hebben verricht waardoor de bodem kon worden verontreinigd, zodat zij artikel 13 van de Wet bodembescherming niet hebben overtreden. Ter zitting hebben appellanten toegelicht dat de mest op het perceel afkomstig was van een intermediair. Appellanten bestrijden voorts de stelling van het college dat het een feit van algemene bekendheid is dat mest schadelijk is voor de bodem, nu dit afhangt van verschillende factoren zoals de hoeveelheid mest, de fosfaat- en stikstofgehalten en de eventuele aanwezigheid van water. Het college heeft in het aantreffen van mesthoudend water ten onrechte een overtreding gezien, aldus appellanten. Verder betogen appellanten dat het college met betrekking tot het mesthoudend water ten onrechte heeft gesteld dat sprake is van het gebruik van gronden als stort- of opslagplaats zoals bedoeld in artikel 4.4.1, aanhef en onder b, van de planregels van het bestemmingsplan "Buitengebied 2014", welk gebruik op grond van deze bepaling wordt aangemerkt als strijdig gebruik.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5ea7d36eb5ea7b1bed01bc2fda0f889bfc11a1d551c194030a9482eff00c95d7. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5ea7d36eb5ea7b1bed01bc2fda0f889bfc11a1d551c194030a9482eff00c95d7, en de alinea staat in dat document op bytes 9786 tot 11214.