Citaat | Raad van State 20 maart 2019
Alinea 156 Raad van State 20 maart 2019
Een alinea uit Raad van State 20 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:896.
3.23 Bij de belangenafweging wegen mee, maar zijn op zichzelf niet beslissend, het legaliteitsbeginsel en de beginselplicht tot handhaving. Het ontstaan van een toestand in strijd met een publiekrechtelijk voorschrift is uiteraard onwenselijk, maar in het omgevingsrecht op zichzelf veelal niet prohibitief voor nakoming (gedogen) en te minder voor schadevergoeding. In het omgevingsrecht, met name bij handhaving, gaat het zelden om een gebonden competentie. Er is meestal wel een min of meer regelconforme mouw aan te passen en als dat echt niet kan, bijvoorbeeld omdat (ambtenaren van) de Executieve nu eenmaal de gekozen volksvertegenwoordiging niet kunnen binden (noch andersom) of als een wettelijk strikt gebonden competentie-uitoefening aan de orde is, is schadevergoeding aangewezen. Juist door die afweging van vele belangen onderscheidt het omgevingsrecht zich van de burgerlijke rechter in horizontale privaatrechtelijke verhoudingen en de belastingrechter, die vaak niet zichtbaar toekomen aan die belangenafweging. Met de kwalificatie ‘(toerekenbare schijn van) toezegging’ en de toerekenbaarheid van die toezegging aan de achterman/de fiscus is in beginsel ook de uitkomst van de belangenafweging gegeven omdat in beginsel alleen de belangen van de twee civiele partijen respectievelijk alleen die van de schatkist en de belastingplichtige in de schaal liggen. In het omgevingsrecht moet ter bescherming van de belangen van derden en het publieke belang in beginsel steeds gehandhaafd worden. Die beginselplicht tot handhaving lijkt mij overigens niet wezenlijk anders dan het fiscale legaliteitsbeginsel dat in het belastingrecht wordt afgewogen tegenover (onder meer) het vertrouwensbeginsel. Als die beginselplicht nagenoeg het enige belang is in de schaal tegenover die van het belang van honorering van gerechtvaardigd vertrouwen, kan dat onvoldoende zijn om gerechtvaardigd vertrouwen te schenden. De beginselplicht tot handhaving weegt in abstracto zwaar, net als het fiscale legaliteitsbeginsel, maar als er in concreto geen derde-belangen zijn en ook overigens nauwelijks of geen concrete bedreigde belangen aangewezen kunnen worden, lijkt mij het vertrouwensbeginsel vóór te moeten gaan. De beginselplicht bestaat pas als zodanig sinds 2004, (zie noot 25) terwijl het fiscale legaliteitsbeginsel, dat het niettemin structureel aflegt tegen het vertrouwensbeginsel, oudere rechten en zelfs Grondwettelijke status (artikel 104 Grondwet) heeft.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f486ccf5d2bda758328bcfdcdda5fb590308983ce3086979f577156d18b96972. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f486ccf5d2bda758328bcfdcdda5fb590308983ce3086979f577156d18b96972, en de alinea staat in dat document op bytes 81949 tot 84437.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/f486ccf5d2bda758328bcfdcdda5fb590308983ce3086979f577156d18b96972 | shasum -a 256