Citaat | Raad van State 20 maart 2019
Alinea 167 Raad van State 20 maart 2019
Een alinea uit Raad van State 20 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:896.
3.28 De onrechtmatigheid van de overheidsdaad kan volgens uw huidige schaarse rechtspraak zitten in schending van het vertrouwensbeginsel en daarmee van art. 3:4, tweede lid, Awb, doordat het bestuursorgaan niet zonder schending van die bepaling tot het bestreden besluit kon komen zonder de schade van de fidens te vergoeden, althans die minstens te onderzoeken en daar een mening over te hebben. (zie noot 28) U heeft ook al eens expliciet schending van het vertrouwensbeginsel genoemd zonder art. 3:4 Awb te noemen, om vervolgens te vernietigen wegens schending van art. 3:2 Awb (Cleaning Service Veghel). (zie noot 29) De literatuur acht art. 3:4 Awb minder geschikt als grondslag voor schadevergoeding omdat het geen criteria geeft behalve (weer) de inadequaat ogende onevenredigheid, en omdat het artikel leidt tot procedeerdwang: de laedens moet opkomen tegen een besluit, enkel om zijn recht op vergoeding zeker te stellen. Het gaat mijns inziens in wezen op dit punt aangeland echter niet meer om een belangenafweging. Die is al achter de rug en heeft er toe geleid dat het gerechtvaardigde vertrouwen van de fidens geschonden wordt omdat de belangen van derden en/of het algemene belang harder aanloeien dan het zijne, de weging waarvan in beginsel des bestuurs is. Daarna gaat het dus niet meer om een evenredigheidsbeoordeling, maar staat vast dat - jegens derden en in het algemeen belang weliswaar rechtmatig, maar jegens de fidens - onrechtmatig wordt gehandeld en gaat het alleen nog om causaliteit en schadebepaling. De onrechtmatigheid moet mijns inziens dus gebaseerd worden op schending van het vertrouwensbeginsel, al dan niet in combinatie met het rechtstreeks, werkende, volgens het EHRM uit het eigendomsgrondrecht ex art. 1 Eerste protocol EVRM voortvloeiende beginsel van good governance. Mijns inziens kan daarmee ook binnen de context art. 3:4, tweede lid, Awb de maatstaf voor de schadebeoordeling bepaald worden: de dispositieschade. Ik zie niet in waarom art. 3:4, tweede lid, Awb te vaag zou zijn om te impliceren dat als de (door de rechter inderdaad afstandelijk te beoordelen) belangenafweging ertoe leidt dat het gerechtvaardigde vertrouwen moet worden geschonden wegens zwaardere andere belangen, de dispositieschade van de fidens vergoed moet worden. De schending van art. 3:4, tweede lid, Awb bestaat immers uit de schending van het vertrouwensbeginsel en het besluit is pas rechtmatig als de gevolgen van die schending (de dispositieschade) ongedaan worden gemaakt. Dat de wettelijke norm open is, staat mijns inziens niet in de weg aan dispositieschadebepaling. Zo heel precies is art. 6:162 BW nu ook weer niet (en niets belet het bestuur en de bestuursrechter om zich te laten inspireren door die bepaling en de daarop gewezen civiele rechtepraak), om nog maar te zwijgen van vage termen zoals het fiscaal-wettelijke ‘goed koopmansgebruik’, waarop de rechter zonder verdere hulp van de wetgever een volledig stelsel van fiscale winstbepaling heeft moeten baseren, inclusief, bijvoorbeeld, (voorraad)waardering, afschrijving, hedge accounting, winstneming op onderhanden werk en transitorische posten.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f486ccf5d2bda758328bcfdcdda5fb590308983ce3086979f577156d18b96972. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f486ccf5d2bda758328bcfdcdda5fb590308983ce3086979f577156d18b96972, en de alinea staat in dat document op bytes 89653 tot 92816.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/f486ccf5d2bda758328bcfdcdda5fb590308983ce3086979f577156d18b96972 | shasum -a 256