Citaat | Raad van State 20 maart 2019
Alinea 202 Raad van State 20 maart 2019
Een alinea uit Raad van State 20 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:896.
5.9 Dan rijst de vraag of [wederpartij]’s rechtsvoorgangers er redelijkerwijs - naar verkeersopvatting - vanuit mochten gaan dat de beide ambtenaren aan de telefoon de handhavingsbeleidsopvatting van het college ter zake van dakterrassen van vóór 1993 weergaf. Ik meen dat de combinatie van (i) het memo van inspecteur Bos met de relevante gegevens over het dakterras, dat meteen na de bouw in de relevante gemeentelijke archieven is opgenomen (althans daarvan gaan wij uit), (ii) de geruststellende mededeling van mevrouw Sap - tijdens het ongeruste telefoontje van [wederpartij]’s rechtsvoorgangers nadat hun dakterras ‘illegaal’ was genoemd - dat daarmee heel oude dakterassen werden bedoeld die ‘ongemoeid gelaten’ werden, (iii) het telefoontje van een kennelijk met dakterrassen doende andere gemeenteambtenaar die dakterrassen ‘inventariseerde’ en hen eveneens zonder voorbehoud stellig meedeelde dat aan hun dakterras, een ‘oudje’ van vóór 1993, ‘niets gedaan wordt’, (iv) de functies van deze ambtenaren, die kennelijk alle belast waren met toezicht op of gemeentelijk beleid inzake (handhaving ter zake van) dakterrassen, (v) het vredige verloop van 25 jaren waarin inderdaad ‘niets gedaan’ bleek te worden, niemand klaagde en het college ook niets heeft gedaan om de door zijn ambtenaren stellig gewekte schijn van gedogen van ‘oudjes’ weg te nemen, brengen mijns inziens mee dat [wederpartij] er redelijkerwijs vanuit mocht gaan dat diverse keren in die 25 jaren haar dakterras bij het desbetreffende gemeente-onderdeel onder de aandacht van een bevoegde persoon is geweest die inderdaad heeft besloten om daar ‘niets aan te doen,’ althans dat de twee ambtenaren aan de telefoon het vigerende ‘oudjes’-beleid (‘ongemoeid laten’) van het college vertolkten. Ik acht daarbij mede van belang dat [wederpartij]’s rechtsvoorgangers geenszins ongenegen waren om, indien vereist, een vergunning aan te vragen, die hen met zekerheid verleend zou zijn tot aan de dakrand. Dat blijkt uit het advies van de bezwaarschriftencommissie, dat immers vermeldt (zie 1.4 hierboven) dat zij een aanvraag hadden ingediend, maar weer hadden ingetrokken toen hen scheen dat geen vergunning vereist was. Daaruit volgt dat [wederpartij]’s rechtsvoorgangers met name door inspecteur Bos op het verkeerde been zijn gezet. Had die niet gezegd, eerst, dat onbekend was waar je een vergunning zou moeten aanvragen en dat je beter geen aanvraag kon indienen, en, later, niet de indruk had gewekt dat het wel in orde zou zijn, dan hadden zij een vergunning gevraagd (c.q. hun aanvraag niet ingetrokken) en verkregen zónder de 1,2 m.-voorwaarde, want dat beleid is pas in 2011 ingevoerd. Ik meen daarom dat, al deze omstandigheden en ambtelijke gedragingen tezamen genomen, naar verkeersopvattingen aan het college toerekenbaar de schijn is gewekt dat een bevoegde persoon had besloten ter zake van ‘oudjes’ zoals die van [wederpartij]’s rechtsvoorgangers niet te handhaven.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f486ccf5d2bda758328bcfdcdda5fb590308983ce3086979f577156d18b96972. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f486ccf5d2bda758328bcfdcdda5fb590308983ce3086979f577156d18b96972, en de alinea staat in dat document op bytes 123523 tot 126550.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/f486ccf5d2bda758328bcfdcdda5fb590308983ce3086979f577156d18b96972 | shasum -a 256