Citaat | Raad van State 17 april 2019

Alinea 39 Raad van State 17 april 2019

Een alinea uit Raad van State 17 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:990.

Ook namens [appellant sub 2] wordt betoogd dat de rechtbank deze bepaling ten onrechte onverbindend heeft verklaard. Zij heeft daarmee een maatregel "om zeep geholpen" die noodzakelijk was om rechtsbescherming in gevallen als deze te waarborgen. Voor zover er toch aanleiding was artikel 22a, derde lid, van de RWN onverbindend te verklaren, had de rechtbank ook artikel 14, vierde lid, van de RWN onverbindend moeten verklaren. Immers, als het in gevallen als deze onmogelijk is een effectief rechtsmiddel aan te wenden, moet de onderliggende bevoegdheid tot intrekking van het Nederlanderschap geacht worden niet te bestaan. De rechtbank is er hierbij ten onrechte van uitgegaan dat als [appellant sub 2] in een later stadium kennis neemt van het besluit tot intrekking van zijn Nederlanderschap, hij daartegen alsnog zal kunnen opkomen. Namens [appellant sub 2] wordt verder aangevoerd dat de rechtbank prejudiciële vragen had moeten stellen aan het Hof van Justitie (hierna: het Hof) als zij twijfels had over de vraag of artikel 22a, derde lid, van de RWN in strijd is met artikel 47 van het Handvest. Ook de Afdeling moet prejudiciële vragen stellen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/aa0f75d71d219d5c6259573c97848d975f85a48f76f6fb1e1883297d4e0e64da. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt aa0f75d71d219d5c6259573c97848d975f85a48f76f6fb1e1883297d4e0e64da, en de alinea staat in dat document op bytes 18507 tot 19678.