Citaat | Raad van State 15 april 2020
Alinea 33 Raad van State 15 april 2020
Een alinea uit Raad van State 15 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1073.
4.2. In hoger beroep is uitsluitend de vraag aan de orde of zich bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan op grond waarvan het niet redelijk is [appellante] tegen te werpen dat zij de in 2017 verschuldigde maandelijkse huur niet of slechts voor een klein deel heeft voldaan. Daarbij kan ervan worden uitgegaan dat [appellante] acht betalingen van € 200,00 heeft gedaan die als een betaling van huur kunnen worden aangemerkt, terwijl de kale huurprijs per maand € 580,00 bedroeg en inclusief servicekosten € 616,00 per maand. Als bijzondere omstandigheid voert [appellante] in essentie aan dat zij door de verrekening feitelijk minder geld had en daardoor de huur niet meer kon betalen. Als gevolg hiervan is zij in een neerwaartse spiraal terechtgekomen die niet aan haar, maar aan de Belastingdienst/Toeslagen moet worden toegerekend. [appellante] stelt daarbij dat zij door de Belastingdienst/Toeslagen niet op de hoogte is gesteld van de door de Belastingdienst/Toeslagen toegepaste verrekeningen, zodat zij ter zake ook geen actie heeft kunnen ondernemen. Als zij daarover bericht zou hebben ontvangen, had zij om een toepassing van de beslagvrije voet kunnen verzoeken en zou zij volgens haar aldus niet in geldnood zijn komen te verkeren. Ter zitting heeft de Belastingdienst/Toeslagen gesteld dat in het algemeen schriftelijke kennisgevingen van verrekeningen worden gestuurd en dat er in dit geval geen aanleiding is om eraan te twijfelen dat dit is gebeurd. De betrokken brieven worden echter niet in het computersysteem opgeslagen en daarvan kunnen dus ook geen afdrukken worden overgelegd. Of aan [appellante] kennisgevingen van verrekening zijn gestuurd en of zij deze heeft ontvangen, is niet duidelijk geworden. De Afdeling vindt dit evenwel niet van doorslaggevende betekenis voor de beantwoording van de vraag of sprake is van bijzondere omstandigheden als in het begin van dit onderdeel 4.2 bedoeld. Ook indien ervan moet worden uitgegaan dat [appellante] niet vooraf schriftelijk op de hoogte was gesteld van de verrekeningen, moet het haar toch vrij snel zijn opgevallen dat de huurtoeslag feitelijk niet meer werd uitbetaald. Iemand die afhankelijk is van toeslagen of een andere tegemoetkoming kan door verrekening van een teruggevorderd bedrag met een nog uit te betalen voorschot in de problemen komen waarbij het niet redelijk kan zijn hem of haar tegen te werpen dat, zoals in dit geval, de huur niet is betaald. Dit laat onverlet dat betrokkene ook een eigen verantwoordelijkheid heeft. Van een burger die aanspraak maakt op een toeslag of een andere tegemoetkoming mag worden verwacht dat deze de uitbetaling daarvan in de gaten houdt. [appellante] heeft, bij monde van haar gemachtigde, op verschillende momenten naar lopende zaken met betrekking tot de verschillende toeslagjaren bij de Belastingdienst/Toeslagen geïnformeerd. Zij heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat zij nadat de verrekeningen hadden plaatsgevonden, zo nodig met hulp van haar gemachtigde, zo snel als redelijkerwijs mogelijk was gerichte actie in de richting van de Belastingdienst/Toeslagen heeft ondernomen. Zij heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat het vervolgens, door de handelwijze van de Belastingdienst/Toeslagen, lang heeft geduurd voordat ter zake een oplossing tot stand is gekomen en het dus aan deze dienst is te wijten dat zij in 2017 de huur niet meer kon betalen. Uit het dossier valt af te leiden dat op 10 april 2017 is overgegaan tot een verrekening en dat de Belastingdienst/Toeslagen pas op 7 september 2017 een gericht verzoek van [appellante] heeft ontvangen om de verrekening ongedaan te maken en de beslagvrije voet toe te passen. De Belastingdienst/Toeslagen heeft vervolgens bij brief van 25 oktober 2017 te kennen gegeven aan dat verzoek tegemoet te komen en vanaf 7 augustus 2017 rekening te houden met de beslagvrije voet waardoor de verrekeningen gedurende twaalf maanden zijn stopgezet. Dit komt overeen met het beleid dat de Belastingdienst/Toeslagen voert en dat is neergelegd in de Leidraad Invordering 2008. In artikel 79.5a van die leidraad, dat gaat over verrekening en beslagvrije voet, is opgenomen dat als de belanghebbende door de verrekening van een voorschot huurtoeslag, zorgtoeslag of kindgebonden budget of een voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting een lager bedrag aan bestaansmiddelen overhoudt dan overeenkomt met de voor hem geldende beslagvrije voet, hij de Belastingdienst/Toeslagen kan verzoeken de verrekening ongedaan te maken voor zover hierdoor de beslagvrije voet is aangetast. Als de belanghebbende dan voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de beslagvrije voet is aangetast, zal de Belastingdienst/Toeslagen volgens deze bepaling rekening houden met de beslagvrije voet bij de laatste verrekening die plaatsvond vóór de indiening van het verzoek en bij de daaropvolgende verrekeningen. Anders dan [appellante] stelt, hoeft de Belastingdienst/Toeslagen niet ambtshalve, dat wil zeggen uit zichzelf, te onderzoeken of de beslagvrije voet is aangetast voordat tot een verrekening wordt overgegaan. Het is niet onredelijk dat de beslagvrije voet slechts op verzoek wordt toegepast. Verder had [appellante] verrekening kunnen voorkomen door in een veel eerder stadium te verzoeken om een betalingsregeling voor de teruggevorderde kinderopvangtoeslag.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ff7367eae841bb3ff40bf87bc0d341bf6df23a62fac5dcfd34c7d98d5f7c440b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ff7367eae841bb3ff40bf87bc0d341bf6df23a62fac5dcfd34c7d98d5f7c440b, en de alinea staat in dat document op bytes 12527 tot 17870.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/ff7367eae841bb3ff40bf87bc0d341bf6df23a62fac5dcfd34c7d98d5f7c440b | shasum -a 256