Citaat | Raad van State 30 december 2020

Onder 52.3. Raad van State 30 december 2020

Een alinea uit Raad van State 30 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:3147.

Gelet op de door de minister toegelichte aanpak ziet de Afdeling in wat [appellant sub 3], [appellant sub 13], [appellant sub 16] en anderen, [appellant sub 11] en [appellant sub 15] hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de minister zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat zich geen onaanvaardbare hinder van de uitvoeringswerkzaamheden zal voordoen en dat eventuele schade tot een minimum zal worden beperkt. Wat zij hebben aangevoerd over hinder en schade als gevolg van de bouw- en aanlegwerkzaamheden geeft daarom geen grond voor het oordeel dat de minister geen zwaarder gewicht heeft mogen toekennen aan de belangen die met de realisering van het tracébesluit zijn gemoeid dan aan de belangen van appellanten om gevrijwaard te blijven van eventuele gevolgen daarvan. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat ingevolge artikel 22 van de Tracéwet in samenhang bezien met artikel 16 van het tracébesluit appellanten, indien zij schade lijden of zullen lijden een verzoek om schadevergoeding op grond van de Beleidsregel nadeelcompensatie Infrastructuur en Milieu 2014, inmiddels Beleidsregel nadeelcompensatie Infrastructuur en Waterstaat 2019, bij de minister kunnen indienen vanaf het moment dat het tracébesluit is vastgesteld.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/36aeecb2e38e002c3f8cd33a72f275f1e76fff3351419d742cf1859aeb8f2fe6. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 36aeecb2e38e002c3f8cd33a72f275f1e76fff3351419d742cf1859aeb8f2fe6, en de alinea staat in dat document op bytes 218803 tot 220101.