Citaat | Raad van State 12 februari 2020

Alinea 79 Raad van State 12 februari 2020

Een alinea uit Raad van State 12 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:423.

De Afdeling stelt vast dat het Hof zich in het Tjebbes-arrest niet concreet heeft uitgelaten over het te hanteren beoordelingsmoment wat betreft de door appellanten aangedragen Unierechtelijke gevolgen. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat een zogenoemde ‘ex tunc’-beoordeling op zijn plaats is. De Afdeling begrijpt dit standpunt van de minister aldus dat de evenredigheid zou moeten worden beoordeeld naar het moment van het van rechtswege verlies van het Nederlanderschap en daarmee het Unieburgerschap; derhalve op het moment dat de 10-jaarstermijn is verstreken. De Afdeling volgt de minister in zoverre in zijn standpunt dat het Hof niet kan hebben bedoeld dat alle gevolgen worden onderzocht die zich hebben voorgedaan tot aan het moment van het doen van een aanvraag voor een identiteitsbewijs of een verzoek om een verklaring omtrent het Nederlanderschap als bedoeld in artikel 17 van de RWN, dan wel de besluitvorming of een rechterlijke uitspraak daarover. Immers valt niet uit te sluiten dat een betrokkene, alvorens hij een aanvraag of verzoek als hiervoor bedoeld indient, zichzelf in een positie brengt dat het verlies van de Nederlandse nationaliteit, en daarmee van het Unieburgerschap, achteraf bezien onevenredig moet worden geacht. Ook bestaat dan het gevaar dat betrokkene steeds opnieuw de evenredigheid van het vervallen van zijn nationaliteit kan aanvechten door eenvoudigweg een nieuwe aanvraag te doen. Dit zou ten koste gaan van de rechtszekerheid. Naar het oordeel van de Afdeling dient als toetsingsmoment te gelden het moment van verlies van het Nederlanderschap, dat wil zeggen dat de 10-jaarstermijn is verstreken, met dien verstande dat niet alleen de gevolgen van het verlies van het Nederlanderschap die zich op dat moment reeds hadden gemanifesteerd dienen te worden betrokken, maar ook de gevolgen die op dat moment redelijkerwijze voorzienbaar waren. De Afdeling licht dit toe met als voorbeeld de situatie van [appellante sub 4]. Toen [appellante sub 2] na ommekomst van de 10-jaarstermijn haar Nederlanderschap verloor, verloor [appellante sub 4] als minderjarige op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, van de RWN haar Nederlanderschap en Unieburgerschap. Zij was op dat moment 17 jaar en ruim 11 maanden. Gezien deze leeftijd was redelijkerwijs voorzienbaar dat zij zou gaan studeren, mogelijk - zoals zij in deze procedure betoogt - in een van de Lidstaten van de Europese Unie. Naar het oordeel van de Afdeling dient ook van dergelijke gevolgen te worden beoordeeld of zij in overeenstemming zijn met het evenredigheidsbeginsel zoals in het Tjebbes-arrest bedoeld. De Afdeling wijst erop dat het Hof in punt 44 van het arrest heeft overwogen dat niet bedoeld zijn de gevolgen die hypothetisch zijn of waarvan niet vaststaat dat zij zich zullen voordoen. Het is daarom aan de betrokkene om concreet te onderbouwen dat op het moment van het verlies van het Nederlanderschap redelijkerwijs voorzienbaar was dat hij zijn met het Unieburgerschap gepaard gaande rechten of verplichtingen uit zou gaan oefenen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/59effb6a626cc4d5fc96b0d0c6b366f2e753a790e25ff8dbc3d7305baa1778e8. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 59effb6a626cc4d5fc96b0d0c6b366f2e753a790e25ff8dbc3d7305baa1778e8, en de alinea staat in dat document op bytes 36880 tot 39975.