Citaat | Raad van State 6 januari 2020

Alinea 39 Raad van State 6 januari 2020

Een alinea uit Raad van State 6 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:5.

5.7. Zoals onder 5.1 is overwogen bestaat in Amsterdam een zeer beperkte sociale woningvoorraad en is het aantal woningzoekenden omvangrijk. Het college heeft in dat kader bij zijn beoordeling betrokken dat de gemeente Amsterdam, gezien de schaarste van beschikbare woningen, ervoor heeft gekozen zich met het urgentiebeleid voornamelijk te richten op gezinnen met minderjarige kinderen die als gevolg van overmacht dakloos zijn of dreigen te worden. Het college heeft verder bij zijn beoordeling betrokken dat [appellante] de woning waar zij langdurig heeft samengewoond uit eigen beweging heeft verlaten, dat zij zich niet als medehuurder heeft laten erkennen, dat zij de woning niet heeft opgeëist en dat zij niet ingeschreven stond op Woningnet. Onder deze omstandigheden bestaat, aldus het college, geen situatie van overmacht. Daarnaast heeft het college van belang gevonden dat [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat het inwonen op een ander adres dan wel het zoeken naar woonruimte in een andere gemeente niet tot de mogelijkheden zou kunnen behoren. Verder verblijft [appellante], aldus het college, in de noodopvang. Hoewel niet ideaal, is deze opvang juist bedoeld om betrokkenen op te vangen en vervolgens te kijken naar de mogelijkheden voor een meer structurele oplossing. Onder deze omstandigheden heeft het college het belang van een rechtvaardige woonruimteverdeling in redelijkheid zwaarder mogen laten wegen dan het belang van [appellante] om op de door haar gewenste wijze aan haar gezinsleven vorm te geven. Het beroep op artikel 8 van het EVRM leidt niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. Ten slotte bestaat geen grond voor het oordeel dat het college zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de kinderen van [appellante]. De belangen van de kinderen zijn onder ogen gezien, maar hebben het college er niet toe gebracht om af te zien van de afwijzing van de aanvraag op grond van de algemene weigeringsgrond, neergelegd in artikel 2.6.5, eerste lid, aanhef en onder e, van de Huisvestingsverordening (vgl. de uitspraak van de Afdeling van 24 januari 2019 ECLI:NL:RVS:2019:201, rechtsoverweging 8.1). De rechtbank is terecht tot het oordeel gekomen dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de situatie waarin [appellante] zich bevindt, hoewel deze moeilijk is, niet dusdanig uitzonderlijk is, dat zij op grond van de hardheidsclausule voorrang op andere woningzoekenden zou moeten krijgen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0f8ca81ecb09d2992e6adc178148539a37a0bbd9b69fc45f95cea5ce5e61ffc0. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0f8ca81ecb09d2992e6adc178148539a37a0bbd9b69fc45f95cea5ce5e61ffc0, en de alinea staat in dat document op bytes 17629 tot 20140.