Citaat | Raad van State 26 februari 2020
Alinea 38 Raad van State 26 februari 2020
Een alinea uit Raad van State 26 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:591.
5.2. De Afdeling stelt vast dat het Wbp-verzoek volgens de brief van 9 mei 2017 is beperkt tot persoonsgegevens die in de periode 2009-2013 zijn verwerkt. Het college hoefde daarom niet te zoeken naar verwerkingen die buiten die periode hebben plaatsgevonden, zoals verwerkingen in het kader van het toetreden van [appellante] tot de gemeenteraad in 2017, nog daargelaten dat die verwerkingen niet op haar rechtspositie als ambtenaar zien. Verder stelt de Afdeling vast dat uit de zittingsaantekeningen van de rechtbank en het door [appellante] overgelegde transcript blijkt dat op die zitting door het college is verklaard dat gericht is gezocht, dat is gezocht in besluitenlijsten, het postregistratiesysteem en het archief, dat navraag is gedaan bij de personeelsafdeling en het bestuurssecretariaat, dat naar e-mailberichten van wethouders is gezocht en dat back-ups zijn geraadpleegd. In zoverre bestaat geen grond voor het oordeel dat de rechtbank de toelichting van het college onjuist heeft weergegeven. In zijn nadere stukken heeft het college, onder overlegging van een verklaring van de betrokken informatiespecialist, betwist dat deze informatiespecialist tegen [appellante] heeft verklaard dat hij niet zelf heeft gezocht en dat alleen in collegestukken is gezocht. In deze verklaring ontkent deze informatiespecialist dat hij vermelde verklaringen heeft gedaan en licht hij toe dat gericht is gezocht in het digitale postregistratie- en archiefsysteem, in het analoge archief en in de personeelsarchieven. De Afdeling ziet geen grond om aan de juistheid van deze verklaring te twijfelen. In hoger beroep heeft het college een nadere toelichting gegeven op de digitale systemen, waaronder het e-mailsysteem, van de gemeente en de wijze waarop daarin is gezocht naar persoonsgegevens van [appellante]. Onderdeel van deze toelichting is een door twee medewerkers van het team Werkplekomgeving opgesteld document met vragen en antwoorden inzake de verwerking van digitale informatie bij de gemeente. Hierin is onder meer vermeld dat het bij de gemeente de verantwoordelijkheid van de verzender of ontvanger van een e-mailbericht is om een archiefwaardig bericht in het digitale archiveringssysteem te registreren en dat een niet geregistreerd e-mailbericht na verloop van tijd door de verzender en ontvanger ervan uit hun e-mailboxen wordt verwijderd, mede om te voorkomen dat data-limieten worden overschreden. Verder is vermeld dat op het moment dat een medewerker uit dienst treedt diens e-mailbox buiten gebruik wordt gesteld en dat door een combinatie van back-up en actieve systemen maximaal negen maanden e-mailboxinformatie wordt bewaard. Voorts is vermeld dat verwijderde e-mailberichten van een medewerker met een actieve e-mailbox door een combinatie van back-up en actieve systemen maximaal zes maanden na het moment van verwijdering kunnen worden hersteld. Er is ook een aantal personen vermeld van wie de e-mailboxen op persoonsgegevens van [appellante] zijn doorzocht. Gelet op deze toelichting ziet de Afdeling geen grond om te twijfelen aan de stelling van het college dat het niet beschikt over onder het bereik van het Wbp-verzoek vallende e-mailberichten met persoonsgegevens van [appellante] over haar rechtspositie. Evenmin ziet de Afdeling grond voor het oordeel dat het college ondeugdelijk heeft gezocht. De door [appellante] in hoger beroep overgelegde stukken, waaronder een door een archiefinspecteur van het Regionaal Historisch Centrum Limburg in het kader van de Wet revitalisering generiek toezicht opgestelde rapportage van 15 maart 2019, maken dit niet anders. Weliswaar constateert de rapportage een aantal tekortkomingen ten aanzien van de informatiehuishouding van de gemeente, maar daaruit kan niet worden afgeleid dat de stellingen van het college over het verrichte onderzoek naar de persoonsgegevens van [appellante] onjuist zijn. De overgelegde uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 januari 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:347, waarin die rechtbank aannemelijk heeft geacht dat er in de bij haar voorliggende zaak meer documenten zijn, omdat de door het betrokken bestuursorgaan gemaakte zoekslag onduidelijk is gebleven, doet aan het voorgaande niet af. In deze zaak heeft het college immers wel duidelijk gemaakt hoe is gezocht. De Afdeling zal het beroep van [appellante] op een brief van 16 mei 2012 van de loco-secretaris aan haar niet beoordelen. [appellante] heeft in strijd met de goede procesorde pas na de tweede heropening van het onderzoek in hoger beroep een beroep op deze brief gedaan als voorbeeld van een document dat het college, tezamen met een aantal verband houdende documenten, bij goed onderzoek had moeten vinden. De Afdeling ziet verder geen grond om te twijfelen aan de ter zitting van de rechtbank gegeven toelichting van het college dat veel besluiten op bezwaar in mandaat worden genomen en niet aan het college worden voorgelegd. Ditzelfde geldt voor de ter zitting van de Afdeling gegeven toelichting van het college dat correspondentie met advocaten gebeurt door ambtenaren, niet door collegeleden. Uit het overzicht bij het door [appellante] vermelde besluit van 24 augustus 2018, genomen op een AVG-verzoek met een ruimere reikwijdte dan het Wbp-verzoek, blijkt ten slotte niet dat het college in deze zaak niet alle verwerkingen die binnen de reikwijdte van het Wbp-verzoek vallen, heeft vermeld.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ccefe9608b2b7c8c78649e2c57c906c4296794d7480e00e56251dfd7904b457b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ccefe9608b2b7c8c78649e2c57c906c4296794d7480e00e56251dfd7904b457b, en de alinea staat in dat document op bytes 13536 tot 18937.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/ccefe9608b2b7c8c78649e2c57c906c4296794d7480e00e56251dfd7904b457b | shasum -a 256