Citaat | Raad van State 26 februari 2020

Alinea 31 Raad van State 26 februari 2020

Een alinea uit Raad van State 26 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:617.

4. [ appellante sub 1] en [appellante sub 2] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de burgemeester bevoegd was om een last onder bestuursdwang tot sluiting van het pand voor twaalf maanden op te leggen. [appellante sub 2] wist niet en had geen ernstige redenen om te vermoeden dat de voorwerpen bestemd waren voor het opzetten van een beroeps- of bedrijfsmatige of grootschalige hennepplantage. De processen-verbaal vertonen verschillende gebreken en zijn een eenzijdige weergave van een politieagent. [appellante sub 2] heeft bijvoorbeeld nooit tassen verkocht met een logo erop. Daarnaast is de rechtbank buiten de kaders van het geding getreden en heeft zij in strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) en de goede procesorde de beschikking van de strafrechter van 21 juli 2015 betrokken, omdat deze beschikking niet voorafgaand aan de zitting bij de rechtbank aan [appellante sub 1] is voorgelegd. Dit is in strijd met het recht op een eerlijk proces en het beginsel van equality of arms, die voortvloeien uit artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Bovendien is die beschikking onvoldoende om nog steeds strafbare voorbereidingshandelingen aan te nemen. Om te bepalen of [appellante sub 2] wist of ernstige redenen moest hebben om te vermoeden dat de voorhanden voorwerpen bestemd waren voor het beroeps- of bedrijfsmatig of grootschalig opzetten van een hennepplantage, is van belang dat niet alle benodigdheden daarvoor verkrijgbaar waren. Zo waren er drie koolstoffilters aanwezig, onvoldoende voor een beroeps- of bedrijfsmatige of grootschalige hennepplantage. Bovendien waren de filters gebruikt en dus niet voor verkoop bestemd. De bevoegdheid van de burgemeester zou in dit geval pas ontstaan als de caissière wist of ernstige redenen had moeten hebben om te vermoeden dat een koper de voorwerpen wilde gebruiken voor beroeps- of bedrijfsmatige of grootschalige hennepteelt. Zij wist dat niet en had ook geen ernstige redenen om te vermoeden dat dat het geval zou zijn. De burgemeester heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. Verder dient onderscheid gemaakt te worden tussen een kleinschalige hennepplantage en een beroeps- of bedrijfsmatige of grootschalige hennepplantage. De burgemeester heeft dat ten onrechte niet gedaan. Niet in geschil is dat [appellante sub 2] zelf geen intentie had om een hennepkwekerij op te zetten. Het enkel voorhanden hebben van de voorwerpen is onvoldoende voor de bevoegdheid om op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Opiumwet een last onder bestuursdwang op te leggen, aldus [appellante sub 1] en [appellante sub 2].

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0f75f91fdaabb4a9df8206a5ee7bef2999894b9f38be0dad0aa0a8b01143145b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0f75f91fdaabb4a9df8206a5ee7bef2999894b9f38be0dad0aa0a8b01143145b, en de alinea staat in dat document op bytes 13211 tot 15964.