Citaat | Raad van State 11 maart 2020

Alinea 397 Raad van State 11 maart 2020

Een alinea uit Raad van State 11 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:738.

7.3 Is de overtreding inmiddels beëindigd, dan moet het bestuursorgaan bezien of zodanig kans op herhaling bestaat dat een last tot voorkoming van herhaling is aangewezen. De literatuur (zie noot 77) is niet eenstemmig bij de vraag naar het beoordelingscriterium. Uw rechtspraak is niet consistent: (zie noot 78) er zijn uitspraken waarin als criterium ‘gegronde vrees voor herhaling’ wordt gesteld, (zie noot 79) maar er zijn ook uitspraken waarin het ontbreken van gegronde vrees voor herhaling niet wordt aangemerkt als een bijzondere omstandigheid die aan handhaving in de weg staat, en ook uitspraken waarin geen criterium wordt genoemd. (zie noot 80) ‘Gegronde vrees’ lijkt een hoge drempel. Vermeer (noot in AB 2012, 255 (zie noot 81) ) meent dat dit criterium slagvaardige handhaving bemoeilijkt door de zware bewijslast voor het bestuursorgaan.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f5f0a4355d9f3971f3163a1e7dc35451d6e0dce2207888d1a1a8c0487669c652. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f5f0a4355d9f3971f3163a1e7dc35451d6e0dce2207888d1a1a8c0487669c652, en de alinea staat in dat document op bytes 157643 tot 158524.