Citaat | Raad van State 31 maart 2021

Alinea 41 Raad van State 31 maart 2021

Een alinea uit Raad van State 31 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:668.

6.2. Als sluiting van een woning in beginsel noodzakelijk wordt geacht, neemt dat niet weg dat de sluiting ook evenredig moet zijn. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer in haar uitspraak van 14 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:851, is persoonlijke verwijtbaarheid niet vereist voor toepassing van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet. De vraag of de rechthebbende een verwijt van de overtreding kan worden gemaakt, kan daarentegen wel aan de orde komen in het kader van de beoordeling van de evenredigheid van de sluiting, zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 4 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2241. Het ontbreken van iedere betrokkenheid bij de overtreding kan afzonderlijk of tezamen met andere omstandigheden maken dat de burgemeester niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Niet in geschil is dat de overtreding van de Opiumwet [appellante] niet valt te verwijten. Bij het besluit van 25 september 2019 heeft de burgemeester daarin aanleiding gezien om de aanvankelijke duur van de sluiting van de woning van drie maanden te verkorten. De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat van sluiting afgezien had moeten worden of dat de sluitingstermijn verder verkort had moeten worden. In dat kader zijn de hiervoor besproken ernst en omvang van de overtreding van belang. De gevolgen van de sluiting voor [appellante] geven geen aanleiding voor een ander oordeel. Zoals de Afdeling in de hiervoor vermelde uitspraak van 28 augustus 2019 heeft overwogen, dient de burgemeester, gelet op de vereiste evenredigheid van een woningsluiting, daarbij te informeren naar de mogelijkheden van vervangende huisvesting voor de bewoners. Dat heeft hij gedaan. In het besluit van 14 mei 2019 heeft de burgemeester [appellante] op de alternatieve woonruimtevoorzieningen gewezen in het geval zij zelf niet voor alternatieve woonruimte zou kunnen zorgen. [appellante] heeft gedurende de sluiting met haar kinderen onderdak weten te vinden bij haar ouders. De sluiting van de woning bracht op grond van artikel 231, tweede lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek mee dat de verhuurder de huurovereenkomst zonder procedure bij de rechter kon ontbinden, maar dit is gezien de ernst en omvang van de overtreding geen bijzondere omstandigheid die de sluiting onevenredig maakt. Overigens heeft de verhuurder in verband met het aantreffen van drugs in de woning bij de kantonrechter een procedure tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning aangespannen tegen [appellante]. Bij comparitievonnis van 5 december 2019 heeft de kantonrechter geoordeeld dat niet vaststond dat [appellante] aansprakelijk kon worden gehouden voor de aanwezigheid van drugs, waarna de verhuurder heeft besloten de procedure niet voort te zetten.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/6dea97db441796eb5ce28240ee03682664e1fb4875c2d8849511f518e3286d37. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 6dea97db441796eb5ce28240ee03682664e1fb4875c2d8849511f518e3286d37, en de alinea staat in dat document op bytes 20441 tot 23267.